woensdag 25 februari 2015

Perspectief op onderwijs

Het perspectief op onderwijs is niet iets dat eenduidig is bepaald. Afhankelijk van het perspectief van een partij zal deze partij proberen het onderwijs vorm te geven.
Volgens mij zijn er drie belangrijke stromingen die het onderwijs proberen vorm te geven.
Deze stromingen zijn:

  • Onderwijs gebaseerd op praktijk/ervaring. Een traditionele vorm van onderwijs waarbij de ervaring van docenten een belangrijke rol speelt. Het is hierbij de professionele verantwoordelijkheid van de docent om keuzes te maken gericht op de individuele leerling.
  • Onderwijs gebaseerd op onderzoek. Aanvankelijk als nieuwe onderwijsmethode die studenten van de lerarenopleiding en docenten trainde in het kritisch beschouwen van eigen (onderwijskundig) handelen, later als wetenschappelijke basis voor het onderwijs en het ontwikkelen van standaarden en richtlijnen. 
  • Onderwijs gebaseerd op toepassing. Naast de voorkeuren van de onderzoekers en docenten zijn er ook nog de wensen en verwachtingen van ouders, leerlingen, maatschappij of vervolgopleidingen.

Het is mijn idee dat voor goed onderwijs een balans tussen de 3 stromingen gevonden moet worden. Docenten, maar ook onderwijsbeslissers, zullen vorm geven aan het onderwijs vanuit deze drie perspectieven. Het lijkt echter alsof men steeds doorschiet in een van die stromingen.

In praktijk moeten beslissingen over onderwijs gebaseerd zijn op de voorkeuren, ervaringen en expertisen van o.a. docenten. Dit mag echter niet doorslaan in praktijk/ervaring-biased onderwijs waarbij men zich verschuilt achter professionele autonomie en de onderbouwingen vanuit onderzoek of gevraagde toepassing stelselmatig negeert omdat eigen ervaring meer waard zou zijn.

Beslissingen over onderwijs moeten gebaseerd zijn op onderzoeksresultaten. Dit mag echter niet doorslaan in onderzoek-biased onderwijs waarbij men onderzoeksresultaten boven andere ervaringen stelt. De strikte eisen van onderzoek legt de nadruk op harde, meetbare uitkomsten, terwijl de menselijke persoonlijke aspecten van onderwijs daardoor minder aandacht kunnen krijgen. De praktijk van dagelijks onderwijs bestaat niet uit enkelvoudige en makkelijk te onderzoeken problemen, maar uit een complex samenspel van allerlei problemen.

Toepassing en nut zijn voor onderwijs ook belangrijk.  Doorslaan hierin resulteert in toepassing/utiity-biased onderwijs waarbij de eisen en verwachtingen van ouders, leerlingen, politiek en vervolgopleidingen voorop staan. Onderwijs is dan niks anders dan een veredelde versie van een verzoekprogramma waarbij een verzoeknummer ingediend kan worden en het onderwijs draait dit nummer vervolgens.

Goed onderwijs is dus een dynamisch evenwicht tussen onderzoek-based, praktijk-based en toepassing-based onderwijs. Mijn inziens is het niet mogelijk onderwijs te sturen, vorm te geven of zelfs te verbeteren als niet alle drie de onderdelen hierbij betrokken worden.


maandag 16 februari 2015

De ideale docent

Ik denk regelmatig na over onderwijs. Dat is natuurlijk niet zo vreemd, ik ben namelijk een docent en reflecteren over de de dingen die ik doe en die er gebeuren in de klas zijn voor mij normaal. Op die manier ben ik ook na gaan denken over wat de ideale docent nu precies is.

Een van de dingen die ik me toen realiseerde is dat de ideale docent eigenlijk geen duidelijk gedefinieerd begrip is. Erger nog, er zijn verschillende perspectieven en die zijn niet allemaal met elkaar verenigbaar. Voor mij lijkt het dat de verschillende ideeën over de ideale docent deels een reflectie zijn van de stadia van begrip dat men over onderwijs heeft.

  1. Het onbewuste stadium: In het onbewuste stadium weet men dat onderwijs bestaat. Inzicht over leren en reflectie op eigen leervaardigheden ontbreken volledig. Leren gebeurt lineair. Omschreven doelen worden gehaald, maar een inbedding van die doelen in een groter perspectief ontbreekt.  Inzichten in onderwijskundige processen blijven beperkt tot het perspectief van iemand die ook op school heeft gezeten. Breder perspectief over de plaats van onderwijs in de maatschappij ontbreekt. Als het niet goed gaat is het de schuld van de docent.
  2. Het naïeve stadium: In het naïeve stadium wordt onderwijs gezien als een opeenvolging van meetbare doelen waaraan leerlingen op vastgestelde momenten moeten voldoen. Inzicht in de doelen blijft beperkt tot een lijst van kennis en vaardigheden waaraan door middel van een nutsfunctie belang wordt toegekend. De waarde van onderwijs wordt bepaald door meetbare doelen. Onderwijs bestaat uit verschillende vakken die allen hun eigen nutsfunctie hebben.Perspectief over de plaats van onderwijs in de maatschappij blijft beperkt tot de per vak verschillende nutsfunctie. Gegeven de juiste omstandigheden zouden er geen problemen op mogen treden en mocht dat wel het geval zijn dan moeten duidelijkere afspraken worden gemaakt.
  3. Het ontluikend stadium: In het ontluikende stadium begint het besef dat onderwijs een proces is. Verschuiving van inhoud naar vorm vindt plaats. Begrip over het socratisch gesprek is aanwezig. De docent is nog steeds alleenheerser in kennis en managment, maar leerlingen beginnen bij het onderwijsproces verantwooordelijkheid te krijgen, hoewel bij voortgang en controle teruggegrepen wordt naar vaste vormen. Problemen zijn nog steeds oplosbaar en zijn terug te voeren op afspraken en regels die het onderwijs vorm geven. 
  4. Het bloeiend stadium: In het bloeiende stadium is het besef dar onderwijs een proces is een basisgegeven. Onderwijs bestaat uit interactie tussen docent en leerlingen. Hierbij heeft de docent slechts een sturende rol en komen vragen, problemen en ideeen van de leerlingen. Vaste manieren van werken worden actief verworpen omdat zij het creatief proces dat plaatsvindt negatief sturen. Het besef is aanwezig dat onderwijs juist omdat het een dynamisch proces is geen garanties geeft. Vakken worden niet langer als losse eenheden gezien.
  5. Het overzichtsstadium: In het overzichtsstadium is het onderwijs gebaseerd op  volledige interactie tussen docenten en leerlingen. Hierbij heeft de docent nooit de rol van antwoordgever maar juist altijd de rol van vragensteller. De docent is voor leerlingen een spiegel geworden waaraan zij hun eigen ideeen en ontwikkelingen kunnen spiegelen. Nadruk ligt in het proces niet langer op het weten en kunnen, maar op de middelen die nodig zijn om weten en kunnen zelf te controleren. School is niet langer een verzameling van losse vakken maar een verzamelplaats waar met behulp van verschillende disciplines leerlingen leren om zelf controle te nemen over hun eigen leerprocessen. Hierbij zijn ook alle vakken even belangrijk en ondersteunen de vakken elkaar.
De ideale docent bevindt zich wat mij betreft in het laatste stadium. De docent leert leerlingen leren, denken en redeneren. Papieren doelstellingen zijn voor deze docent minimumeisen die als vanzelfsprekend gehaald worden door het aanbieden van een grote verscheidenheid aan problemen en ideeen. Het doel is de leerlingen goed onderwijs te geven, d.w.z. de leerlingen wordt geleerd zelf verantwoordelijk te zijn voor hun leren. De leerlingen wordt geleerd dat leren leuk is.

De ideale docent moet dus breed ontwikkeld zijn. Alleen kennis van het eigen vakgebied voldoet niet om leerlingen een perspectief aan te bieden dat over leren in het algemeen gaat. Zo heeft wiskunde niet het alleenrecht op logisch nadenken en Nederlands niet het alleen recht als het gaat om formuleren. De ideale docent probeert leerlingen dingen te leren die te moeilijk zijn. Niet omdat hij wil dat leerlingen het niet kunnen, maar omdat hij wil dat leerlingen leren door te gaan, niet op te geven en leren zien dat alles makkelijk is als je het weet. Doorzettingsvermogen en niet bang zijn om fouten te maken zijn daarbij vaardigheden waarmee de ideale docent zijn leerlingen heeft uitgerust.

De verschillende stadia van begrip over onderwijs spelen een belangrijke rol in veel discussies. Wie zich afvraagt waarom docenten van veel van deze discussies balen, moet bedenken dat heel veel docenten zich qua ontwikkeling in de laatste 2 stadia bevinden. Voor beleidsmakers, politici, onderwijspraters, etc. geldt dit niet. Een groot deel daarvan bevindt zich in de eerste 2 stadia en is zich daar ook niet van bewust. Dit is onder andere terug te zien in de soorten oplossingen die zij bedenken voor de problemen in het onderwijs. Meer regels, meer doelen, meer controle. Het maakbare onderwijs van mensen die niet beseffen dat onderwijs iets anders is dan hoofdjes te vullen met bij voorbaat goedgekeurde of economisch rendabele ideeen en vaardigheden.

Maar ja, de ideale docent zeurt niet, is niet te duur en doet gewoon wat politici, bestuurders en andere stuurlui zeggen. 

If you pay peanuts, you 'll get monkeys!

donderdag 12 februari 2015

Je plaats kennen.

Voor wie het nog niet door heeft, ik ben een docent. Als ik dat hardop zeg op een feestje dan is er binnen 5 minuten wel iemand gevonden die daar een mening over heeft, of die gebaseerd op het volledig ontbreken van onderwijservaring kan vertellen hoe ik het toch allemaal moet doen. Ik ga u proberen duidelijk te maken welke warme gevoelens ik daarbij krijg.

Er zijn een heleboel dingen die ik niet kan of niet weet. Gisteren nog kwam een onderhoudsmonteur bij ons thuis de verwarmingketel controleren en onderhouden. Ik weet absoluut niets van verwarmingketels. Ik vind daarom dat ik mij niet met het werk van de monteur dien te bemoeien. Het enige wat ik kan doen is zorgen dat de omstandigheden waarin de monteur aan het werk gaat voldoen. Ik zorg dat de ketel op zolder toegankelijk is, ik vraag of de monteur iets nodig heeft en ik bied hem een kopje koffie aan. Van de gereedschappen die hij gebruikt weet ik niet hoe ze heten of hoe ik ze moet gebruiken. Ik ben volslagen onbekend met de nieuwste verwarmingstechnieken. Kortom op het vakgebied van de monteur ben ik een kneus en ik ga niet vertellen hoe dat moet.

Ik sta voor de klas en ik weet wat voor een vreemde eend in de bijt ik ben. Ik stel heel hoge eisen aan mijn leerlingen en collegae en ik verwacht dat zij ook hoge eisen aan mij stellen. Goed genoeg bestaat bij mij niet en ik beperk me daarbij niet tot mijn eigen vak.Een docent bruist, kolkt en kookt over voor de klas om leerlingen te leren dat nieuwe kennis en ervaringen vergaren leuk is. Een docent stuitert heen en weer tussen de kennis die voor het examen nodig is en de kennis die leuk is. En zeker bij voorbereidend wetenschappelijk onderwijs heb je dus iemand nodig die weet wat dat is, wetenschappelijk onderwijs en die enthousisast wordt van wetenschap.

De status van het beroep leraar ligt op dit moment ergens onder dat van hamburgerbakker of vuilnisbakaanstamper bij die hamburgerketen met die clown. Niet erg hoog dus. Dat is natuurlijk niet zo mooi. Lage status, lage beloning, lage waardering. Maar een echte docent doet het niet voor het geld, hoor ik veel te vaak. Wat is dat nu weer voor een onzin? De schoorsteen moet roken, er moet eten op tafel. Of dacht u dat een kenniseconomie draaiende wordt gehouden door een selecte groep die puur uit liefde voor de klas staat?

Dat er iets moet veranderen is duidelijk, maar hoe dat moet veranderen is voor bijna niemand duidelijk. Er worden allerlei oplossingen geroepen en in het rond geslingerd. En die oplossingen hebben allemaal een overeenkomst. Ze vertellen de docenten hoe ze het moeten doen en/of regelen. In plaats van vertrouwen in docenten te hebben, worden er maatregelen genomen om docenten te controleren. Rekentoets, lerarenregister, lerarenagende, allemaal maatregelen die niet uitblinken in het ruimte geven aan docenten om hun eigen vak uit te oefenen. Integendeel, het zijn controlerende maatregelen die van bovenaf opgelegd worden door mensen die in het onderwijs geen of nauwelijks ervaring hebben met het primair proces. Dat is dus de manier waarop we met docenten om wensen te gaan. We zeggen dat we leraren serieus nemen, maar we doen wat anders.

De docent moet zijn plek kennen. Onderwijskundige ideeen houd je maar voor jezelf. Gekkigheid die niet op het examen wordt gevraagd doe je maar in je eigen tijd. En nu moet je niet doen alsof je meerdere mastertitels hebt en controle kunt nemen over het onderwijs.


zaterdag 7 februari 2015

Leren het verkeerd te doen.

Op school moeten leerlingen veel doen. Lessen volgen, toetsen maken en daartussen een projectweek, een praktijkopdracht of practicum. Dat was vroeger al zo en nu is dat nog steeds zo.

Als ik mijn eigen schooltijd vergelijk met de dingen die ik tegenwoordig zie bij leerlingen dan valt mij een ding erg op. Ik heb wat afgeprutst in mijn middelbare schooltijd. Mijn practica van natuurkunde en scheikunde mislukte regelmatig volledig, maar zolang er geen doden of gewonden bij vielen dan was dat eigenlijk niet zo erg. Erger nog, dat was best wel nuttig. Mijn wiskundeleraar liet mij volledig doorwerken aan de opgave zoals ik dat wilde en dat ik 2 pagina's nodig had voor een bewijs dat in 1 regel kon was niet erg, het werd zelfs toegejuicht. Vol enthousiasme gingen we bij biologie een haai ontleden en al doende kwamen we er achter wat handig was en en wat niet.

Ik herken mijn eigen schooltijd niet in wat ik leerlingen nu op school zie doen. Ik zie dat niet op 2 verschillende manieren. In de eerste plaats lijkt het wel of de leerlingen alleen maar "haalbare" activiteiten aangeboden krijgen. De stof of projecten lijken zo ontwikkeld te zijn dat het allemaal goed gaat en dat de docenten bij voorbaat al weten dat dat wel gaat lukken. In de tweede plaats zie ik leerlingen die het alleen maar goed willen doen. Het moet meteen goed en zo efficiënt mogelijk. Alle het andere is een mislukking en leerlingen zijn daar zelfs bang voor.

Hoewel ik er geen bewijs voor heb denk ik dat de 2 zaken direct met elkaar te maken hebben. In mijn optiek is fouten maken, dingen verkeerd of onhandig doen en dingen verprutsen een belangrijk onderdeel van het leerproces. Leren van je eigen fouten en blunders. Vallen en weer opstaan. Dit betekent wel dat docenten leerlingen de gelegenheid moeten geven om te vallen. Docenten moet leerlingen behalve een groot deel kennis en ervaring ook een stevige laag eelt op hun onderzoeks- of leerziel geven. Leerlingen moeten leren dat dingen fout doen geen volledige mislukking betekent, maar dat het juist een gezond onderdeel van het leerproces is.

Als docenten leerlingen niet de kans geven om dingen fout te doen, dan ontnemen zij leerlingen de ervaring van leren van je fouten. Vanuit dat perspectief is de opmerking; "Oh, dat kunnen ze niet." dus dodelijk voor goed onderwijs. Door van te voren te bepalen wat leerlingen wel en niet kunnen wordt ze de mogelijkheid om tegen problemen aan te lopen en die op te lossen ontnomen. Als de docent bepaalt wat een leerling wel of niet kan, dan krijgt die leerling niet meer de kans om te laten zien wat hij kan, maar alleen maar de kans om te laten zien wat de docent denkt dat hij kan. Bovendien wordt leerlingen daardoor de kans ontnomen om als hun grenzen bereikt worden fouten te maken en door te leren van die fouten hun grenzen te verleggen. Met een moeilijke open opdracht kunnen leerling naar hartelust fouten maken en laten zien hoeveel ze kunnen zonder door door de docent opgestelde grenzen belemmerd te worden.

Wat is dan de belemmering in de praktijk? Fouten laten maken is onzeker. Het is een proces waar de docent minder grip op lijkt te hebben. De docenten moet dus durven. Hij moet durven zijn leerlingen fouten te laten maken. Hij moet durven zijn controle los te laten. Hij moet durven accepteren dat dit proces ook kan mislukken. In dat opzicht is het dus hetzelfde voor de docent als voor de leerlingen. Loslaten dat het alleen maar goed moet gaan.

In de praktijk is loslaten niet makkelijk, maar er zijn wel een aantal aspecten die dat makkelijker kunnen maken. Minder controle, minder summatieve toetsen (en meer formatieve toetsen) en geen verbinding meer tussen de "persoon" van de leerling en de leerproces van de leerling. Het is immers in het leerproces dan dat dingen anders gaan dan voorzien. Een leerling die leert van eigen fouten is namelijk geen mislukking maar een enorm succes!

dinsdag 3 februari 2015

Onderwijs en toekomstperspectief


Als er iets is dat op scholen veel besproken wordt, dan is het de motivatie van leerlingen. In de ideale situatie zijn de leerlingen vanuit zichzelf gemotiveerd. Ze willen iets weten, ze willen iets leren, ze willen ergens naar toe. Uiteraard is het toekomstperspectief dat ze daarbij hebben belangrijk, maar ook het zelfbeeld dat leerlingen hebben.
Tijdens het doelloos over youtube dolen kwam ik het volgende Finse juweeltje tegen dat over het toekomstperspectief van jonge mensen gaat. Ik begrijp dat niet iedereen het Fins makkelijk volgt daarom onder de video een vertaling. 


Jukka Poika - Älä tyri nyt 

Verziek het niet nu

Je heb nog wat energie over voor een tijd
op deze plek, met deze mensen

REFREIN:
Dicht bos, open velden
Een landschap met de angst voor God
Hier hangt de lucht donker/beklemmend
boven ons hoofd

Je bent jong en hebt een rusteloos hart
en bent moe van deze dode stad.
Als je geduldig bent,
mag je naar de rest van de wereld.

En op de vaste vrijdagavond
het geluid van rijden door de stad om meiden op te pikken
Een vriend vraagt of je komt feesten,
maar vandaag kan je het feesten missen.

Je hebt een ticket naar een andere wereld,
als je je hoofd er maar bij houdt. 
Een dommerd zou nu problemen verzamelen.
Deze plek is te klein voor jou.

REFREIN
Verziek het nu niet, ga niet te ver
Laat je angst en onzekerheid het niet winnen
Ze doen maar wat de hele tijd,
speelden al die tijd met vuur.

Maak je school af, krijg ervaring
Geef de drugs / alcohol niet de schuld
van jouw gebrek aan zelfdiscipline.
Zelfs niet als je het hier niet meer uithoudt
Ga kloek voorwaarts (als een krijger)

Er zijn niet veel opties hier,
je zit hier gewoon klem.
Maar er is licht aan het eind van de tunnel.
Nu kan je volhouden, met je leven onder controle

REFREIN
Verziek het nu niet, ga niet te ver
Laat je angst en onzekerheid het niet winnen
Ze doen maar wat de hele tijd,
speelden al die tijd met vuur.

Maak je school af, krijg ervaring
Geef de drugs / alcohol niet de schuld
van jouw gebrek aan zelfdiscipline.
Zelfs niet als je het hier niet meer uithoudt
Ga kloek voorwaarts (als een krijger)


zondag 1 februari 2015

Non scholae sed vitae discimus

Onderwijs is een boeiend vak. Het is in beweging en probeert zich staande te houden in een wereld die het beter weet. Helaas is beter weten niet hetzelfde als kennis bezitten. Soms lijkt het wel alsof op dit moment de erudiete leerkracht niet meer gewaardeerd wordt. Waarom zou je allerlei kennis zelf leren als dat met onze huidige technologie als in een hele korte tijd op kunt zoeken? Waarom zou je mentale capaciteiten trainen als voor de afzonderlijke onderdelen technologische oplossingen bestaan die vele malen sneller of beter lijken?

Voor leerlingen is bijvoorbeeld de rekenmachine een vanzelfsprekend apparaat als het gaat om maken van berekeningen. Het nadeel hiervan is dat niet alleen de rekenvaardigheid afneemt maar ook het begrip van getallen en het schatten van getallen. Daarnaast beïnvloedt de rekenmachine ook de manier waarop deze leerlingen naar zichzelf en naar hun vaardigheden kijken. Dat ik als docent probleemloos 57x53 uit het hoofd uitreken komt bij de leerlingen in het hokje "dingen die de leraar kan maar die ik nooit zal kunnen." Dat het om een vaardigheid gaat die te leren en te trainen is, is voor leerlingen niet eens relevant want later gebruik je toch een rekenmachine en mocht je die toevallig niet bij je hebben of, erger nog, je vergeet te beseffen dat je hem nodig hebt dan is dat maar pech.

Uit je hoofd leren wordt door veel mensen niet tot de vaardigheden van de 21e eeuw gerekend. Dit lijkt met onze toegang tot internet en alle daarop beschikbare informatie logisch. Maar hoe weet je dan dat je informatie nodig hebt die je op moet zoeken? Of, net zo erg, hoe kan je zien dat de informatie die je op internet vindt correct is? En hoe plaats je die informatie dan in een context?

Als titel van dit stuk heb ik  "Non scholae sed vitae discimus" (We leren niet voor de school, maar voor het leven") gekozen. Deze spreuk wordt als het over onderwijs gaat vaak gebezigd en toegeschreven aan Lucius Annaeus Seneca. Klinkt goed en doet het als citaat natuurlijk lekker. Er is echter een klein merkwaardig detail hier dat heel veel mensen missen. Dit is namelijk niet wat Seneca schreef. In de "Epistulae morales ad Lucilium" nummer 106 schreef Seneca namelijk "Non vitae sed scholae discimus"  (Dit leren we omdat het voor de school moet, niet omdat het van nut is voor het leven), het besluit van een verzet van Seneca tegen de Stoïsche spitsvondigheden en discussies die volgens hem weinig bijdroegen aan het menselijk geluk. Niet veel mensen weten dit nog en niet veel mensen zijn zich er van bewust dat het citaat dat zij gebruiken om het belang van onderwijs te benadrukken dus oorspronkelijk onderdeel uitmaakte van een discussie over het belang en de noodzaak van sommige onderdelen van het onderwijscurriculum.

En dan komen we dus bij een bekende uitspraak van George Santayana:  "Wie de geschiedenis niet kent is gedoemd ze te herhalen". Ik draag dit aan om aan te geven dat als het gaat om onderwijs, er steeds dezelfde discussies gevoerd lijken te worden. Heeft men dan echt niets geleerd van de vorige discussies? Niet veel in ieder geval. Steeds lijkt weer dezelfde discussie vanuit een nieuw standpunt opgerakeld te worden. Wordt het onderwijscurriculum niet beoordeeld vanuit het socialistisch egalitarisme, dan wordt het wel beoordeel vanuit het liberaal egalitarisme of het liberaal utilitarisme. De discussie blijft dezelfde.

Dat die discussie raakt aan de hart van het onderwijs en de wetenschap wordt dan maar voor het gemak vergeten. We gaan alleen nog maar les geven in dat wat we nodig hebben, we gaan alleen nog maar nuttig onderzoek verrichten. Helaas leert de ervaring dat we schrikbarend slecht zijn in het voorspellen van de toekomst. Dit zorgt er dus ook voor dat we slecht zijn in het voorspellen van wat we nodig gaan hebben in de 21e eeuw. We weten niet wat we nodig hebben en vanuit dat oogpunt is een specialistische opleiding gebaseerd op het direct nut wellicht niet de meest verstandige oplossing. Waarom niet breed opleiden? Waarom niet investeren in algemene vaardigheden waarop voortgebouwd kan worden?

Als we kijken naar de praktijk dan hoeven we het niet te hebben over 21e eeuw vaardigheden en kennis. Met de invoering van het sociaal leenstelsel wordt de toegang tot hoger onderwijs weer teruggebracht naar het niveau van de 19e eeuw (of eerder). Wellicht is het dan nuttiger om ons te concentreren op 19e eeuwse kennis en vaardigheden. Het doet mij bijna denken aan "De Grote Sprong Voorwaarts".